Creative Commons License
All the content and downloads are published under Creative Commons license

Inleiding - april 2002
 
Het archeologisch onderzoek van de Romeinse villa Holzkuil te Kerkrade is succesvol verlopen. Bijna eenderde van het voor het onderzoek geselecteerde gebied (5,5 ha) was nu opgegraven. Minstens 9 grotere en kleinere gebouwen, waarvan vier uit steen opgetrokken, werden aangetroffen. De vondsten wezen voorlopig op een datering van het complex in de tweede en derde eeuw na Chr.
 
Het nieuws van april - april 2002
 
De tweede fase van het onderzoek betrof het westelijke terreingedeelte, waar de eerste bouwfase van het villapark gepland was. Vanaf nu werden volgens eigen plan opgravingsputten aangelegd. De kraanmachine legde grote vlakken open van 12 bij 25 tot 50 meter.

Opgravingsputten

In de tweede fase van het onderzoek worden grote opgravingsputten aangelegd

Het uiterste westen van het gebied bleek, zoals uit het vooronderzoek en fase een ook reeds bleek, vrijwel leeg te zijn. Verder naar het oosten kwam men duidelijk het complex binnen: het terreindeel ten zuidwesten van het hoofdgebouw bleek een vrij intensief gebruikt terrein, waar meerdere gebouwstructuren en kuilen gevonden werden. Het gebiedt bestreek onder andere de in het AAO voorgestelde westelijke vleugel van het complex. In dit gedeelte werden meerdere gebouwstructuren gevonden, die weliswaar meestal dezelfde - steeds terugkerende - orientaties bezaten, maar niet in het verlengde van elkaar lagen. Het nog niet in detail uitgewerkte sporenoverzicht bevat gebouwen met minstens drie grote middenstaanders op rij (op een onderlinge afstand van ca. 4-5 m), maar ook kleinere paalkuilen, een kelderkuil en in een enkel geval werden wandgreppeltjes gevonden.

Colluvium (afgeschoven bodemmateriaal) dat overal over het terrein waargenomen werd, werd op enkele plaatsen in duidelijke geulvorming waargenomen, die - waarschijnlijk - na een uit gebruik raken van het complex het natuurlijke reliëf volgde en verder accentueerden.

Een zuidwest-noordoost georienteerde greppel, die ook al tijdens het AAO was vastgesteld, zou een afgrenzende omheiningsgreppel, direct achter het hoofdgebouw, kunnen vormen. De greppel was tot nu toe over een lengte van ca. 75 m vastgesteld (tot ca. 10 m ten westen - van de tot dan toe bekende resten - van het hoofdgebouw). Een tweede greppel, die ook al tijdens het AAO was vastgesteld, kwam vanuit het noordwesten en hield precies op bij deze mogelijke omheining en wa dus blijkbaar pas aangelegd toen de eerste al bestond. Deze greppel was tot dan toe over een lengte van 30 m vastgesteld. De functie van deze laatste greppel was onduidelijk. Mogelijk betrof het een uitbreiding van het villaterrein, mogelijk ook een akkerbegrenzing buiten het villacomplex.

Het aantal vondsten was nog steeds gering. Mogelijk zou het hoofdgebouw meer vondstmateriaal bevatten, maar anderzijds leek steeds duidelijker te worden dat vondstaantallen beduidend kleiner waren dan bij vergelijkbaar villa-onderzoek in het Duitse Rijnland. De vondsten werden verzameld en afgevoerd naar het Archeologisch Diensten Centrum in Bunschoten. Hier werden ze gewassen, gesplitst, geteld en gewogen, alvorens ze bij de desbetreffende vondstspecialisten (voor aardewerk, natuursteen, metaal en glas) terecht kwamen. Voorlopig  leken de vondsten te wijzen op een datering van het complex in de tweede en derde eeuw na Chr.