Inleiding - 2001
In de gemeente Kerkrade is de aanleg gepland van het Villapark Holzkuil. Het park, dat 22 ha groot wordt, ligt tussen Eygelshoven en Vink. In het noorden wordt Holzkuil begrensd door de Haanraderstraat, in het oosten door de Tichelstraat, in het westen door bestaande bebouwing en tuinen aan de Kerkraderstraat en Eygelshovergracht. De zuidelijke grens bestaat uit de bewoning aan de Vinkerstraat.
De gemeente Kerkrade is zich bewust van haar rijke verleden en van haar verantwoording ten opzichte van het waardevolle bodemarchief. In het bestemmingsplan heeft de gemeente rekening gehouden met archeologisch onderzoek in het gebied. Vier hectare van dit gebied behoorde tot een voormalige bruinkoolgroeve en is in het verleden afgegraven, de rest van het terrein komt voor archeologisch onderzoek in aanmerking.

Locatie van de vindplaats
Vooronderzoek - 2001
Van het 18 ha grote gebied is in 1999 vief hectare geïnventariseerd op archeologische resten. In dit gebied werd de aanwezigheid van een Romeinse villa verondersteld op basis van oudere vondstmeldingen in het landelijke registratiesysteem voor bodemvondsten ARCHIS. De door archeologisch adviesbureau RAAP uitgevoerde Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI) leverde alleen diep verstoorde bodemprofielen op, maar geen aanwijzingen voor een Romeinse villa. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) vond het echter onverantwoord het overige, grote plangebied niet te onderzoeken, omdat het gebied een hoge archeologische waarde kent op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKA W) van de ROB én de 'oude' ARCHIS-melding wel degelijk betrekking heeft op vondstmateriaal dat de aanwezigheid van een Romeinse villa voorspelt.
De gemeente Kerkrade volgde het advies van de ROB op en liet in januari 2001 de rest van het plangebied alsnog onderzoeken. Deze tweede AAI van RAAP bleek wel succesvol Het resultaat bestond uit drie vindplaatsen met een Romeinse datering, waarvan de grootste vindplaats de aanwezigheid van een villaterrein deed vermoeden, op slechts 50 tot 100 rn afstand van de 'oude' ARCHIS-melding. De aard van de vindplaatsen kon met behulp van de MI-gegevens niet nauwkeurig geïnterpreteerd worden, zodat een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) noodzakelijk was.
Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) - 2001
Doel van een AAO is in de eerste plaats het verzamelen van aanvullende gegevens over de archeologische waarde van een terrein. Deze archeologische waarde laat zich bepalen uit verschillende criteria. Zo worden eerst de aard, datering, gaafheid en conservering van een vindplaats onderzocht, waarna t.o.v. de huidige wetenschapsstand de zeldzaamheid, de informatiewaarde en de ensemblewaarde van de locatie bepaald kunnen worden. In de tweede plaats dient een AAO een zo gedetailleerd mogelijk inzicht te verschaffen in de dimensies van een vindplaats, in horizontale zin (omvang) en in verticale zin (diepteligging en stratigrafie).
In de derde plaats dienen gegevens te worden verzameld, waarmee de mogelijkheden en kosten voor een duurzaam behoud en/of een definitief archeologisch onderzoek (DAG) kunnen worden geschat. Het onderzoeksgebied bevindt zich op de noordelijke uitloper van een hooggelegen lossrug, waarop verder naar het zuiden ook Kerkrade is gebouwd. Als gevolg van de grote hellingshoeken binnen het terrein werd met veel erosieverschijnselen gerekend. Om de vraagstellingen te kunnen beantwoorden zijn 11 proefsleuven aangelegd, waarbij in totaal 4100 m2 is opgegraven.
De meeste vondsten bestonden uit Romeins materiaal, uit de 2e eeuw na Chr. Het AAO heeft geen vondsten uit de Laat-Romeinse Tijd (270-450 na Chr.) of de Vroege Middeleeuwen (450-1050 na Chr.) opgeleverd. Vondsten uit de Late Middeleeuwen (1050-1500) of Nieuwe Tijd (1500-heden), kwamen uit de bouwvoor of uit verstoringen van in de jaren '80 gesloopte gebouwen.
Het AAO heeft de aanwezigheid van minstens 6 gebouwen met verschillende Romeinse plattegronden aangetoond, waarmee de aard van deze site als die van een villaterrein kan worden gedefinieerd. Alle zes gebouwen, te weten een stenen gebouw in put 1 (gebouw A), een houten gebouw in put 2 (gebouw B), een houten structuur in put 5 (gebouw C), minstens twee houten gebouwen in put 6 (gebouwen D en E) en tenslotte minstens één houten gebouw in put 11 (gebouw F) hebben steeds de terugkerende oriëntaties noordwest-zuidoost of noordoost-zuidwest. Alhoewel geen nauwkeurige plattegronden zijn blootgelegd lijken de oriëntaties van de gebouwen A, B en C vast te liggen. Voor de gebouwen D en E lijken deze noordoost-zuidwest en voor gebouw F noordwest-zuidoost te zijn, maar dit is (nog) niet zeker.
Hieruit is een totaalbeeld te destilleren: de basis van het villacomplex wordt gevormd door de oriëntatie van gebouw A. Indien men de as van dit gebouw in noordoostelijke en zuidwestelijke richtingen doortrekt en laat snijden met de assen van de gebouwen B en F wordt een grote, gevleugelde structuur herkenbaar, die natuurlijk niet over de complete as bebouwd geweest behoeft te zijn. Het middelpunt van de as vormt gebouw A, dat als hoofdgebouween prachtig uitzicht over het zuidoostelijk gelegen droogdal moet hebben gehad. De ligging van gebouw A in het landschap en zijn centrale ligging t.o.v. de aangetoonde gebouwde structuren, alsmede de aanwezigheid van bewerkelijk aangelegde vloeren, pleister- en muurschilderwerk, vensterglas en een mogelijk mozaïeksteentje vormen -voorlopig -de argumenten vóór de functie als hoofdgebouw.
Het terrein direct vóór het hoofdgebouw is een zeer geschikte locatie voor een binnenterrein van een villacomplex Het is een gelijkmatig zwak naar het zuidoosten aflopend gebied, dat steiler wordt in de richting' - van het droogdal. Vanwege de grootte 'van het gebied en het naar verhouding kleine opengelegde oppervlak van de proefsleuven moet echter rekening gehouden worden met een hoofdgebouw dat elders ligt.
De gebieden ten westen en noordwesten van het villacomplex zijn als weinig en geleidelijk hellend te omschrijven en zijn daarom waarschijnlijk als akkerpercelen in gebruik geweest.
Als begrenzingen voor het villaterrein is in het oosten en zuidoosten ongetwijfeld van het natuurlijke reliëf gebruik gemaakt. In het oosten, onmiddellijk ten oosten van gebouw B, bevindt zich een droog beekdal, dat door een steile rand van het villaterrein is gescheiden. In het zuidoosten bevindt zich het eerder genoemde droogdal dat door zijn steilheid slechts een eenvoudige afscheiding benodigd. De begrenzingen van het villaterrein in het westen en noorden zijn minder duidelijk. Het is zelfs mogelijk dat in plaats van één groot villaterrein, een kleiner complex met een nabij gelegen (contemporaine) nederzetting is ontdekt; voor de gebouwen C, D, E en F kan een functie als woongebouw niet uitgesloten worden. Mogelijk is de noordelijke begrenzing van het villacomplex niet meer te achterhalen vanwege bebouwing (en sloop) van meerdere gebouwen vanaf -minstens - de late Middeleeuwen, maar zeker is dit niet. Verder naar het noordoosten -waaronder ook RAAP's vindplaats 3 -zijn in ieder geval geen Romeinse resten gevonden. Het villacomplex heeft een afmeting van ca. 300 x 120 rn, een oppervlakte van 3,6 ha. De periode voorafgaand aan de Romeinse bewoning, de Ijzertijd, is slechts door de aanwezigheid van enkele losse scherven zonder enige context vertegenwoordigd. Ongetwijfeld zullen bij de opgraving sporen uit deze periode tevoorschijn komen, zoals bij vergelijkbare villacomplexen veelal het geval bleek te zijn.
Conclusie - 2001
Het AAO heeft de aanwezigheid aangetoond van een goed geconserveerd en gaaf villacomplex uit de 2e na Chr. Het villacomplex meet ca. 300 bij 100 m. De vindplaats is erg bijzonder omdat hij zo goed is bewaard. Zelfs het oorspronkelijke landschap rond het complex is goed te reconstrueren. Daarnaast is de vindplaats belangrijk omdat er veel archeologische informatie uit de directe omgeving voorhanden is. Hierdoor bestaan goede mogelijkheden tot recontructie van de landschappelijke, culturele, economische en sociaal-politieke omgeving van het villacomplex. Een vindplaats met deze eigenschappen is zeer zeldzaam, zo niet uniek in Nederland.
Luchtfoto van het hoofdgebouw
