Creative Commons License
All the content and downloads are published under Creative Commons license

Inleiding - juni 2002
 
De maand juni stond vooral in het teken van het hoofdgebouw van het villacomplex, hoewel er natuurlijk ook op andere delen van het terrein werd gewerkt. Verheugend was de extra steun in de vorm van studenten van de Vrije Universiteit, Amsterdam, die stage liepen. Zeer waardevol ook was het nu sterk toegenomen bezoek van vakcollega's uit binnen- en buitenland, die de onderzoekers door uitwisseling en discussie weer verder hebben geholpen. De maand juni 2002 stond ook in het teken van publiek en educatie. In een periode van drie weken werden ca. 1000 scholieren tussen de 9 en 12 jaar op de opgraving rondgeleid. Door middel van een klein lesprogramma op school over de Romeinse tijd in Limburg, samengesteld door het Thermenmuseum uit Heerlen, kwamen de jongeren goed voorbereid en meestal zeer enthousiast naar de opgraving. Vanaf de laatste week van juni werd de opgraving nu ook voor het normale publiek te bezichtigen (na aanmelding bij het informatienummer van de gemeente). In totaal was op de Holzkuil nu zo'n 2,5 ha opgegraven en zaten ze ongeveer op de helft van het onderzoek in het veld.

Vloer Caldarium

Het blootleggen van de ondervloer van het caldarium (heetwaterbad/zweetruimte)

 
Vorderingen in de maand juni - juni 2002
 
De begrenzingen van het hoofdgebouw werden zeker gesteld, door behalve de vier centrale putten van 25 x 12 m ook de aangrenzende putten aan te leggen, zodat nu een aaneengesloten vlak van ca. 100 x 36 m was ontstaan. In alle putten werd - indien noodzakelijk - tot op een tweede vlak verdiept, waarbij muren zijn blijven staan. Hierbij  moest veel met de hand gebeuren, omdat de kraan nu niet meer overal kon worden ingezet. Beetje voor beetje zijn de onderzoekers wijzer geworden en werd de geschiedenis van het gebouw duidelijker.

Opgravingsvlak Villa

Zicht op de westelijke vleugel van het hoofdgebouw (vlak 1 en 2)
 
Het hoofdgebouw bleek verschillende verbouwingen te hebben gekend, die de onderzoekers voorlopig in grofweg drie (nog niet nader gedateerde) fasen plaatsten. In een eerste fase bestaat een rechthoekig gebouw van ca. 32 x 16 m, met porticus. In een tweede fase worden aan weerszijden van de porticus twee (niet vooruitspringende) hoekresalieten van 6 x 6 m aangebouwd, zodat een lengte van 44 m ontstaat. Waarschijnlijk hier kort voor of na werd aan de achterkant van het gebouw een ruimte van 20 x 6 m aangebouwd. In een laatste fase tenslotte wordt het noordoostelijke hoekresaliet omgebouwd tot badhuis en bereikt het gebouw haar grootste afmetingen: ca. 52 x 22 m. Het badhuis (ca. 12 x 12 m) vergde het meeste (hand)werk en had tot juni 2002 toe de meest tot de verbeelding sprekende resten van de villa opgeleverd.
 
Caldarium

Caldarium (heetwaterbad/zweetruimte) tijdens het vrijleggen, met de eerste zichtbare hypocausttegels in situ.
 
Nadat erg veel puin verwijderd was, werden een stookkamer (praefurnium) met stooktunnel, een hypocaustvloer met hypocausttegels en een via een trapje te bereiken koud waterbad (frigidarium) gevonden.

Vloer Stooktunnel

De vloer van de stooktunnel
 
Opmerkelijk waren de vele vooral in het frigidarium aangetroffen stucfragmenten met muurschildering en een vensterrooster van ijzer, dat in juni reeds ter conservering behandeld werd.

Muurschilderingen

Resten van muurschilderingen uit het frigidarium (koudwaterbad)
 
Ook buiten het hoofdgebouw werd flink gewerkt. In het zuidwesten werden resten van reeds in eerdere putten vastgestelde gebouwen opgegraven. Een houten gebouw met drie grote middenstaanders meette ca. 16 x 8 m. Een stenen gebouw, dat waarschijnlijk de zuidwesthoek van het villacomplex representatief markeerde had mogelijk afmetingen van 24 x 8 m gehad, maar dit bleef onduidelijk. In tegenstelling tot het gebied rond het hoofdgebouw heeft dit terreindeel veel onder bodemerosie geleden, hetgeen hier - aan de rand van een sterke helling - ook niet verwonderlijk is.

Hypocaustum

De ondervloer van het hypocaustum (ruimte onder de vloerverwarming). Aan de wand zijn resten te zien van tegels die zorgden voor hittebestendigheid.
 
Op het binnenterrein van het villacomplex werd een waterput gevonden, die na boringen tot op een diepte van ca. 9 m bleek te lopen. In de waterput werden meerdere fragmenten van zuilen gevonden en enkele 'quaders' van ca. 40 x x 40 x 40 cm, allen met sporen van puntbeitels. De bovenste vullingen van de put leverde ook fragmenten van een  Jupiterzuiltje op. Iets ten oosten van de waterput werd een grote waterplaats (drinkplaats voor dieren?) van ca. 50 x 30 m gevonden.
 
Uitgraven Waterput

Het uitgraven van de waterput
 
Uit de profielen bleek dat de vijver tot ca. 2,00 m onder het maaiveld liep en (helaas) erg weinig vondstmateriaal bezat. Direct ten noorden van de vijver heeft een klein houten gebouw gestaan, waarschijnlijk ca.12 x 6 m groot. Dit is de eerste structuur van het villacomplex dat zich niet op de vleugels van het complex bevindt. Alle overige gebouwen (op dit moment 11) zijn op een U-vormige as gevonden, een U die een basis van 250 m heeft, met in het centrum het hoofdgebouw. De zuidwestelijke vleugel meette ca. 130 meter,  de noordoostelijke ca.110 meter.

De opgravingsploeg was met het onderzoek van het hoofdgebouw uitgegroeid tot een groep van 10 tot 15 mensen en - tijdelijk - twee kranen.

Inmiddels was ook een uitgebreide zeefinstallatie in werking genomen. Interessante vullingen konden zodoende in hun geheel gezeefd worden, opdat ook het kleinste vondstmateriaal onder de loep genomen kon worden.

Puin uit het hoofdgebouw werd op een transportband afgevoerd. Daarna werd het gezeefd zodat ook de kleinste vondsten geborgen konden worden.
 
Opmerkelijke vondsten van de maand mei bestonden, naast diverse fresco fragmenten, uit meerdere zuilfragmenten. Vlak naast een half-fabricaat zuil (lengte = 0,75 m, zuildiam.= 0,40 m, basisdiam. = 0,60 m) van zandsteen werden meerdere fragmenten van een kapiteel gevonden. Vreemd genoeg waren de o.a. met schubben versierde kapiteelresten wel afgewerkt. De vondst was des te opmerkelijker omdat de vondstlocatie ca. 50 m van het hoofdgebouw verwijderd lag. Een tweede opzienbarende vondst was een traliewerk van ca. 0,40 x 0,40 m dat als raamwerk in een deur of muur gezeten zal hebben.