Inleiding - mei 2002
In de maand mei is ca. 4600 m2 opgegraven, zodat nu in totaal 2,2 ha (40%) van het in totaal 5,5, ha grote onderzoeksgebied was blootgelegd. Voor het eerst werden nu ook delen van het hoofdgebouw onderzocht.
Vorderingen in de maand mei - mei 2002
In deze maand is nog eens duidelijk geworden hoe nauwkeurig en symmetrisch het villacomplex was opgezet. Op een basislijn van ca. 230 m worden beide uiteinden door stenen gebouwen gevormd, terwijl in het midden van deze facadelijn ook het (stenen) hoofdgebouw (ook bekend uit het vooronderzoek) ligt. Aan beide uiteinden volgen vervolgens haaks georienteerde vleugels, waaraan waarschijnlijk bijgebouwen zullen hebben gestaan. De oostelijke vleugel is noodgedwongen korter, omdat zij snel op het vrij steile en diep gelegen beekdal stuit.
De eerste muren van het hoofdgebouw tekenen zich af
Duidelijk is dat de facade - uitkijkend op het dal in zuidoostelijke richting - niet in zijn geheel in steen was opgetrokken; sommige delen bevatten alleen resten van houten bebouwing. In mei 2002 bestond nog geen duidelijkheid omtrent de nauwkeurige dateringen van de structuren, zodat geen idee bestond welke gebouwen gelijktijdig bestonden. Dat het complex over langere tijd in gebruik is geweest blijkt uit voorlopige dateringen van het aardewerk uit de 2e en 3e eeuw na Chr. en uit fasering van verschillende gebouwen. Zo zijn op het drukker gebruikte terrein van de westelijke vleugel meerdere gebouwstructuren gevonden, die niet gelijktijdig bestaan kunnen hebben.
Met de schep wordt het opgravingsvlak onderzocht
Nu twee putten (25 x 12 m) binnen het hoofdgebouw waren blootgelegd konden ook hier reeds enkele conclusies getrokken worden. Meerdere muren, funderingen, vloerdelen en uitbraaksleuven werden gevonden en duidden op meerdere fasen. De maximale lengte van het gebouw moet 44 m zijn geweest, de diepte kon nog niet worden vastgesteld. Opmerkelijk in de eerste put was de vondst van een haardplaats bestaande uit naast elkaar gelegen dakpannen. Duidelijk zichtbaar was een ronde kern van de vuurplaats, de dakpannen waren hier zwart geblakerd, terwijl de onderliggende leem rood verbrand was. In de andere put werden minstens twee aan elkaar grenzende hypocaustruimten gevonden. Deze ruimten lagen vol met puin en bevatten meerdere frescofragmenten en ook vensterglas. Er waren aanwijzingen dat ook een van de gevonden vloeren verwarmd was en dat de hypocaustruimte eronder bewaard was.
Haardplaats
De opgravingsploeg was met het onderzoek van het hoofdgebouw uitgegroeid tot een groep van 10 tot 15 mensen en - tijdelijk - twee kranen.
De archeologen aan het werk in het hoofdgebouw.
Immiddels werd ook een uitgebreide zeefinstallatie in werking genomen. Interessante vullingen konden zodoende in hun geheel gezeefd worden, opdat ook het kleinste vondstmateriaal onder de loep genomen kon worden.
Opmerkelijke vondsten van de maand mei bestonden, naast diverse frescofragmenten, uit meerdere zuilfragmenten. Vlak naast een half-fabricaat zuil (lengte = 0,75 m, zuildiam.= 0,40 m, basisdiam = 0,60 m) van zandsteen werden meerdere fragmenten van een kapiteel gevonden. Vreemd genoeg waren de o.a. met schubben versierde kapiteelresten wel afgewerkt. De vondst was des te opmerkelijker omdat de vondstlocatie ca. 50 m van het hoofdgebouw verwijderd lag. Een tweede opzienbarende vondst was een traliewerk van ca. 0,40 x 0,40 m dat als raamwerk in een deur of muur zal hebben gezeten.
De projectleider onderwerpt de zuil aan een eerste onderzoek.
