Het vooronderzoek
In de gemeente Kerkrade is de aanleg gepland van het Villapark Holzkuil. Het park, dat 22 ha groot wordt, ligt ten noorden van Kerkrade tussen Eygelshoven en Vink. Vier hectare van dit gebied behoorde tot een voormalige bruinkoolgroeve en is in het verleden afgegraven, de rest van het terrein kwam voor archeologisch onderzoek in aanmerking.
In 1999 zijn vier van de overige 18 hectare door middel van boringen onderzocht op archeologische resten. In dit deel van het terrein werd de aanwezigheid van een Romeinse villa verondersteld op basis van oude vondstmeldingen in het landelijke registratiesysteem voor bodemvondsten archis. De door archeologisch adviesbureau RAAP uitgevoerde boringen, een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI), leverde alleen diep verstoorde bodemprofielen op, maar geen aanwijzingen voor een Romeinse villa. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) vond het echter onverantwoord het overige, grote plangebied niet te onderzoeken.
De gemeente Kerkrade volgde het advies van de ROB op en liet in januari 2001 de rest van het plangebied alsnog onderzoeken. Deze tweede AAI van RAAP bleek wel succesvol. Het resultaat bestond uit drie vindplaatsen met een Romeinse datering, waarvan de grootste vindplaats de aanwezigheid van een villaterrein deed vermoeden, op slechts 50 tot 100 m afstand van de ‘oude’ ARCHIS-melding. De aard van de vindplaatsen kon met behulp van de AAI-gegevens niet nauwkeurig geïnterpreteerd worden, zodat een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) noodzakelijk was.
Doel van een AAO is het verzamelen van aanvullende gegevens over de archeologische waarde van een terrein. Deze archeologische waarde laat zich bepalen uit verschillende criteria. Zo worden de aard, datering, gaafheid en conservering van een vindplaats onderzocht, maar ook bijvoorbeeld de zeldzaamheid en de informatiewaarde van de locatie. Om de vraagstellingen te kunnen beantwoorden werden 11 proefsleuven aangelegd, waarbij in totaal 4100 m2 is opgegraven.
De meeste vondsten bestonden uit Romeins materiaal, uit de 2e eeuw na Chr. Het AAO heeft geen vondsten uit de Laat-Romeinse Tijd (270-450 na Chr.) of de Vroege Middeleeuwen (450-1050 na Chr.) opgeleverd. Vondsten uit de Late Middeleeuwen (1050-1500) of Nieuwe Tijd (1500-heden), kwamen uit de bouwvoor of uit verstoringen van in de jaren ’80 gesloopte gebouwen.
Het AAO heeft de aanwezigheid van minstens 6 gebouwen aangetoond, waarvan de meeste Romeinse karakteristieken bezitten. Alhoewel nog geen volledige plattegronden zijn blootgelegd lijken alle zes de gebouwen, te weten een stenen gebouw in put 1 (gebouw A), een houten gebouw in put 2 (gebouw B), een houten structuur in put 5 (gebouw C), minstens twee houten gebouwtjes in put 6 (gebouwen D en E) en tenslotte minstens één houten gebouw in put 11 (gebouw F) steeds de terugkerende oriëntaties noordwest-zuidoost of noordoost-zuidwest te bezitten. Deze symmetrie drukt een vooropgezette ordening van het complex uit en lijkt het volgende beeld te vormen. De basis-as van het villa-complex wordt gevormd door de oriëntatie van gebouw A. Indien men de as van dit gebouw in noordoostelijke en zuidwestelijke richtingen doortrekt en laat snijden met de haaks hierop liggende assen van de gebouwen B en F wordt een grote, gevleugelde (“U”-vormige) structuur herkenbaar, die natuurlijk niet in zijn geheel bebouwd hoeft te zijn geweest. De centrale ligging van gebouw A t.o.v. de aangetoonde gebouwde structuren, alsmede de aanwezigheid van bewerkelijk aangelegde vloeren, pleister- en muurschilderwerk, vensterglas en een mogelijk mozaïeksteentje vormen – voorlopig – de argumenten vóór de functie als hoofdgebouw.
Als begrenzingen voor het villaterrein is in het oosten en zuidoosten ongetwijfeld van het natuurlijke reliëf – een beekdal- gebruik gemaakt. De begrenzingen van het villaterrein in het westen en noorden zijn minder duidelijk. Mogelijk is de noordelijke begrenzing van het villacomplex niet meer te achterhalen vanwege bebouwing (en sloop) van meerdere gebouwen vanaf – minstens - de late Middeleeuwen, maar zeker is dit niet. De gebieden ten westen en noordwesten van het villacomplex zijn als weinig en geleidelijk hellend te omschrijven en zouden als akkerpercelen in gebruik kunnen zijn geweest.
De vindplaats is erg bijzonder omdat het complex in zijn geheel bewaard lijkt te zijn, terwijl de resten in de bodem op zijn minst ten dele goed geconserveerd blijken te zijn. De vindplaats biedt, tezamen met archeologische informatie uit de directe omgeving, goede mogelijkheden tot reconstructies van de landschappelijke, culturele, economische en sociaal-politieke situatie van het villacomplex en zijn betekenis t.o.v. zijn omgeving. Een vindplaats met deze eigenschappen is zeer zeldzaam en het is uniek in Nederland dat zij nu in zijn geheel onderzocht kan worden.
